SIMSON

Het waren weer eens woelige tijden. Deze keer lag het joodse volk met de Filistijnen in de clinch. Ruzies werden niet uitgepraat maar uitgevochten, en de Filistijnen waren veel sterker. Sommigen beweerden dat het allemaal hun eigen schuld was, een straf van God. Maar niet iedereen dacht er zo over.
In die tijd leefden Manoach en zijn vrouw. Ze konden geen kinderen krijgen en waren daar heel verdrietig over. Op een dag verscheen er een engel van God aan zijn vrouw: ‘Je zult zwanger worden en een zoon krijgen. God is met hem, en dit zal het teken daarvan zijn: je mag de haren op zijn hoofd nooit knippen of scheren.’ Ze werd zwanger en bracht een zoon ter wereld. Ze noemden hem Simson.

Simson groeide op en werd sterk, heel sterk. Er wordt van hem verteld, dat hij met zijn blote handen een jonge leeuw verscheurde, toen die hem brullend wilde aanvallen. Een andere keer had hij driehonderd vossen gevangen. Hij bond ze twee aan twee met de staarten aan elkaar vast, en hing er brandende fakkels aan. Daarna liet hij ze los op de rijpe korenvelden van de Filistijnen. De hele oogst ging verloren. Je snapt dat die ontzettend kwaad waren geworden en alles op alles zetten om Simson gevangen te nemen. Na veel moeite lukte dat ook. Maar Simson was zo sterk dat hij de touwen waarmee hij was vastgebonden, makkelijk lostrok. Zo ontsnapte hij weer.

Toen werd Simson verliefd op Delila. De koningen van de Filistijnen hoorden dit en dachten: ‘Dit is onze kans.’ Ze gingen naar Delila en vroegen haar: ‘Simson is verliefd op jou en zal alles voor je willen doen. Probeer er eens achter te komen wat zijn geheim is, waarom hij zo sterk is. Als je dat lukt, kunnen wij hem gevangen nemen. We zullen je met veel geld belonen.’
Die avond vroeg Delila aan Simson: ‘Hoe komt het eigenlijk dat jij zo sterk bent? Ben je echt niet te verslaan?’ Simson had niets in de gaten, hij hield tenslotte van Delila. Maar zijn geheim wilde hij niet zomaar prijsgeven. Dat mocht hij ook niet. Daarom vertelde hij haar: ‘Als je mij vastbindt met zeven pezen van een dier, dan verlies ik al mijn kracht en word ik even sterk als alle andere mensen.’
Delila vertelde dit aan de Filistijnse koningen. Die zorgden snel voor de pezen. En toen Simson op een avond lag te slapen, bond Delila Simson ermee vast. In het huis ernaast hielden enkele Filistijnen zich verborgen om te kijken hoe het afliep. Delila riep Simson wakker: ‘Daar zijn de Filistijnen!’ Simson schrok wakker en merkte dat hij met pezen vastgebonden was. Maar hij brak die zonder moeite door.

Simson was boos op Delila: ‘Waarom heb je dat gedaan? Waarom heb je mij vastgebonden? En waarom heb je me zo laten schrikken door te zeggen dat de Filistijnen eraan kwamen?’ Delila zei: ‘Sorry, het was een grapje. Ik wilde kijken of je eerlijk was tegen mij. Maar je bent helemaal niet eerlijk, je hebt tegen mij gelogen. Ik vraag me af of je wel echt van me houdt.’
Simson had met Delila te doen. Hetzelfde grapje zou ze vast en zeker niet nog een keer herhalen, en daarom bedacht hij iets anders: ‘Het klopt, ik heb tegen je gelogen. Het zijn niet zeven pezen waarmee je mij moet vastbinden maar zeven nieuwe touwen, touwen die nog nooit eerder zijn gebruikt.’
Delila vertelde dit weer aan de Filistijnse koningen. Die zorgden voor zeven splinternieuwe touwen. En toen Simson ’s avonds in slaap was gevallen, bond Delila hem weer vast. Daarna riep ze hem wakker: ‘Daar zijn de Filistijnen!’ Simson merkte dat hij met nieuwe touwen vastgebonden was. En zonder moeite trok hij ze allemaal kapot.

Delila had nu wel in de gaten, dat Simson op zijn hoede zou zijn en haar niet zomaar zijn geheim zou vertellen. Maar na een tijdje begon ze voorzichtig weer. Ze ging verdrietig bij Simson zitten, die zijn arm om haar heen sloeg: ‘Simson, hou je van mij?’ ‘Natuurlijk hou ik van je,’ zei Simson. ‘Maar waarom mag ik dan niet weten waarom jij zo sterk bent? Waarom vertel je mij je geheim dan niet?’ Simson aarzelde. Toen besloot hij het haar te vertellen: ‘De haren op mijn hoofd zijn nog nooit geschoren of geknipt. Dat is het teken dat God met mij is. Wanneer je mijn haren af zou knippen, dan verlies ik echt al mijn kracht en word ik even sterk als alle andere mensen.’
Delila wist zeker, dat Simson haar nu wel de waarheid had verteld. Snel vertelde ze het nieuws aan de Filistijnse koningen. En die avond knipte zij zijn haren af, terwijl hij lag te slapen. ‘Daar zijn de Filistijnen,’ riep ze weer. En daar waren ze inderdaad. Simson verzette zich wel, maar tevergeefs. Ze namen hem gevangen en voor alle zekerheid staken ze hem de ogen uit. Stel je voor, dat hij opnieuw weer zo sterk zou worden. Dan zou hij tenminste niet kunnen ontsnappen.

* * *

Het was enkele maanden later. Simson zat nog steeds gevangen. De haren op zijn hoofd waren inmiddels weer aangegroeid, maar zijn kracht had hij niet terug gekregen. Daar zou hij trouwens toch niets mee kunnen doen, want hij kon niets meer zien.
De koningen van de Filistijnen besloten een groot feest te geven om te vieren dat ze Simson gevangen hadden genomen. Er kwamen veel mensen. Er werd veel gegeten, en er werd veel gedronken. Op een gegeven moment werd Simson uit de gevangenis gehaald, zodat iedereen hem kon zien. Iedereen lachte hem uit.
Daar stond Simson tussen twee zuilen van de grote tempel. En Simson zei zacht, zonder dat iemand het kon horen: ‘God, kan ik asjeblieft nog één keer mijn kracht terug krijgen? Mag ik nog één keer zo sterk worden zoals ik vroeger geweest ben?’ Hij voelde de kracht weer in zijn spieren terugkomen. Hij zette zich schrap tegen de twee zuilen, en duwde ze uit elkaar. De tempel stortte helemaal in. Alle mensen die er waren, en alle koningen van de Filistijnen, werden onder het puin bedolven. Ook Simson zelf kwam er niet levend onder vandaan. Maar de Filistijnen? Die waren wel verslagen.