Noach
Noach was een aardige en vriendelijke man. Ook zijn vrouw en drie kinderen waren lieve mensen. Maar toch was Noach niet gelukkig. Hij maakte zich zorgen.
Hij zag dat de mensen de laatste tijd veranderd waren. Ze mopperden en klaagden de hele dag door, en waren met niets meer tevreden. Om de kleinste dingen maakte ze ruzie en gingen met elkaar op de vuist. Het leek wel alsof ze voor niets of niemand meer respect hadden, ze trapten en schopten tegen alles wat bewoog. Het kon ze allemaal niets schelen.
Noach dacht bij zichzelf: ‘Dit kan toch nooit Gods bedoeling zijn geweest? Wat zou Hij denken als Hij de mensen zo bezig ziet?’ Hij had er ook wel eens met anderen over gesproken. Maar die vonden dat hij zeurde en zich aanstelde. Waar maakte hij zich druk om? Waar bemoeide hij zich mee?
Er hing een grauwe en grimmige sfeer in het land. Zelfs de zon, die de mensen anders zo vrolijk kan maken, liet zich niet meer zien. De lucht was grijs en het leek wel alsof de wolken elke dag donkerder en dreigender werden. Er was slecht, heel slecht weer op komst. Zou de aarde soms vergaan? Zou God zoiets laten gebeuren?
Die nacht had Noach een vreemde en enge droom. Hij droomde dat hij op een grote boot zat. Om hem heen was er water, niets dan water. Waar hij ook keek, er was geen stukje land te bekennen. Maar hij was niet alleen. Zijn vrouw en zijn drie kinderen waren er ook, en ontzettend veel dieren. Je kon het zo gek niet bedenken, of ze zaten op de boot.
Overdag moest hij voortdurend aan zijn vreemde droom denken. Zou die droom iets betekenen? Hij keek omhoog en zag dat de lucht vandaag weer grijzer was geworden. Toen wist hij het! Er was regen op komst, zoveel regen dat alles onder zou lopen. Alle mensen en dieren zouden verdrinken. En Noach moest die dieren redden!
Er was geen tijd te verliezen. Hij stuurde zijn kinderen erop uit om hout te kappen, en hij begon een grote boot te bouwen, een ark. Dag en nacht werkte hij door. Zijn vrouw stuurde hij erop uit om dieren te vangen: van alle dieren die ze kon vinden een mannetje en een vrouwtje. Sommigen, zoals de schildpad en het schaap, lieten zich makkelijk vangen. Met anderen, zoals de handige eekhoorn en de slimme vos, had ze meer moeite.
De mensen deden een beetje lacherig toen ze Noach zo bezig zagen: ‘Ga je ons verlaten, Noach? Ga je een wereldreis maken?’ Noach zei dan niets terug: hij had medelijden met de mensen.
De ark was klaar, en alle dieren hadden een plaatsje gekregen. Net op tijd! Er klonk een harde donderslag. En toen begon het te regenen. Eerste enkele grote druppels maar al snel viel het met bakken uit de hemel. Je zag geen hand meer voor ogen. Noach stuurde snel zijn vrouw en drie kinderen aan boord. Zelf stapte hij als laatste in.
In een mum van tijd kwamen de straten onder te staan. Rivieren stroomden over, het water stroomde de huizen binnen. De ark kwam los van de grond en begon te drijven. De kinderen keken angstig om zich heen. Zou het dak van de ark wel waterdicht zijn? Zou de ark niet te zwaar zijn en zinken? Ook Noach zelf was er niet gerust op, maar dat liet hij niet merken. Eén van de kinderen vroeg: ‘Wat is er aan de hand? Waarom regent het zo hard? En waarom zitten we met zoveel dieren op deze ark?’ Maar Noach hoorde het niet. Hij zat in gedachten verzonken voor zich uit te staren. Hij dacht aan al die andere mensen en dieren op aarde, die nu vast en zeker zouden verdrinken. En hij dacht aan God: zou die echt zo boos op de mensen geworden zijn, dat hij ze nu allemaal liet verdrinken?
Het bleef maar regenen. Hoelang het had geregend, wisten ze niet. In ieder geval dagenlang, misschien wel wekenlang. Toen werd het minder, en even later was het stil: het regende niet meer. Voorzichtig deed Noach de deur open, en ze gingen samen op het dek staan. Waar ze ook keken, ze zagen water, niets dan water. De aarde was in één grote zee veranderd. Ze werden er allemaal stil van.
‘Kijk, een regenboog!’ riep één van de kinderen. Noach zag het ook en zei: ‘Elke keer als je die regenboog ziet, moet je maar aan dit moment terugdenken. En zeg dan tegen elkaar: dit mag nooit meer gebeuren.’
De dieren en vogels aan boord van de ark begonnen onrustig te worden. Ze hadden al te lang niet meer kunnen rennen en vliegen. Noach besloot één van de vogels los te laten. ‘Waarom doe je dat?’ vroegen zijn kinderen. ‘Als de vogel terugkomt, dan is er nog geen droge grond te vinden,’ antwoordde hij. En inderdaad, na een paar uurtjes kwam de vogel terug.
Enkele dagen daarna deed Noach nog een keer hetzelfde. Ditmaal was het een duif. Die kwam niet meer terug.
Ze lagen stil, het water was gezakt. Er stonden nog wel grote plassen. De ark lag stil op een droge plek. Alle hokken werden opengezet. De dieren en vogels renden en vlogen eruit. Wat waren ze blij dat ze weer de ruimte hadden, wat waren ze blij dat ze weer vrij waren! Noach, zijn vrouw en zijn drie kinderen keken ze één voor één na. Toen ook het laatste beest uit de ark was gekropen – natuurlijk was dat de schildpad – vroeg één van zijn kinderen: ‘Wat moeten de dieren eigenlijk eten? Er groeit niets meer. Waar moeten de vogels hun nesten bouwen? Er staat ook geen enkele boom meer.’ Daar had Noach niet aan gedacht. Toen haalde zijn vrouw een grote zak tevoorschijn: ‘Van alle bloemen die ik kon vinden, heb ik zaadjes gezocht. En van alle bomen heb ik een paar vruchten bewaard. Als we die zaaien, zal het snel weer gaan groeien en wordt de aarde even mooi als eerst.’
Het was enkele jaren later. Noach zat buiten in de tuin. Hij zag de beesten rennen, hij hoorde de vogels fluiten. Er was een klein regenbuitje gevallen en de bloemen roken heerlijk. Een duif vloog door de lucht met een groen takje in zijn snavel. Noach dacht aan die ene duif die hij had losgelaten. Toen zag hij ook weer de regenboog aan de hemel staan. ‘Die regenboog, dat is een knipoog van God. Nooit zal het meer zoveel regenen dat de aarde vergaat. En nooit meer zullen de mensen het zover laten komen.’
Dat dacht Noach.