Geloofsbelijdenis

Ik hoef niet te geloven

Ik hoef niet te geloven
in mooie woorden of grote gebaren
zolang ik maar geloof
in de taal van het hart.

Ik hoef niet te geloven
in strenge regels of zware plichten
zolang ik maar geloof
in de waarde van het leven.

Ik hoef niet te geloven
in een belangrijke positie
of een plaats vooraan voor mijzelf
zolang ik maar geloof
in de gelijkwaardigheid van mensen.

Ik hoef niet te geloven
in wat anderen zeggen
en mij te geloven voorhouden
zolang ik maar geloof
in mensen zoals jij.



Geloven

Geloven in een woord,
een woord dat zegt
waarom een mensenhart vraagt.
Geloven dat jij
dat woord kunt spreken.

Geloven in een moment,
een moment van uitblazen
en op adem komen.
Geloven dat nu
dat moment is.

Geloven in een plaats,
een plaats ergens op aarde
waar vrede in vertrouwen groeit.
Geloven dat hier
deze plaats is.

Geloven in een mens,
een mens die zichzelf mag zijn
thuis bij een ander.
Geloven dat jij
die mens bent.

Geloven in een bron,
een bron en een bestemming
voor ons vallen en opstaan.
Geloven dat God
die levende bron is.



Leven met een hoofdletter

Ik geloof:
niet omdat er een hemel is,
maar ik geloof
omdat er een aarde is
met zoveel leven in zoveel kleuren en vormen
dat geen mens het kan begrijpen.

Ik geloof in het Leven
met een hoofdletter geschreven:
niet omdat een mens
zijn ogen sluit als het gedaan is
maar omdat zij haar ogen opent
aan het einde van haar kleine, lange leven.

Ik geloof dat wij elkaar weer zien
met ruimte tussen weer en zien,
omdat er tijd nodig is
om jezelf in de ander
terug te zien en terug te vinden.

Ik geloof
dat mensen groot en sterk zijn,
niet omdat zij veel presteren
maar omdat zij zo klein
en kwetsbaar kunnen zijn.



Om een groeiend geloof

Dat in mijn geloof
het geloof van kinderen is:
dat ik me weer kan verwonderen
over de kleine en grote dingen van het leven.

Dat in mijn geloof
het geloof van jongeren is:
voor mijn mening opkomen
en protesteren tegen oneerlijkheid en onrechtvaardigheid.

Dat in mijn geloof
het geloof van jongvolwassenen is:
dat ik durf te geloven
in de onbeperkte mogelijkheden van de toekomst.

Dat in mijn geloof
het geloof van volwassenen is:
dat ik zorg draag en niet vlucht
voor verantwoordelijkheid.

Dat in mijn geloof
het geloof van ouders is:
liever geven dan nemen
en gewoontes in het leven waarderen.

Dat in mijn geloof
het geloof van ouderen is:
de grenzen van het leven accepteren,
vertrouwen in medemensen
en vertrouwen in een God
die ons vangt voordat wij vallen.



Niet te geloven

Ik leef, ik besta
al kan ik dat soms
maar moeilijk geloven.

Op dit moment zwemmen ergens
reusachtige walvissen in diep water.
Op dit moment jagen ergens hongerige tijgers
op doodsbange herten.
Op dit moment zoemen ergens vervelende muggen,
weven spinnen met het grootste gemak een web,
en kruipen legioenen processierupsen
kriebelend achter elkaar aan.

Hoeveel appels groeien er nu aan bomen?
Hoeveel bloemen komen op dit moment uit hun knop?

Zij weten met zijn allen niets van mij,
en zullen mij waarschijnlijk nooit zien
en toch leef ik.
Dat is toch niet te geloven?

     * * *

Als ik wil lachen, dan lach ik.
Heb ik zin om te huilen, dan huil ik.
Ik loop, ik dans, ik praat, ik zing
en het is voor mij de gewoonste zaak van de wereld,

terwijl op dit moment
zoveel mensen ergens
op zoek zijn naar voedsel of onderdak,
op de vlucht zijn niet wetend waarheen,
bezorgd zijn voor de dag van morgen.
Dat is toch niet te geloven?

Hoeveel mensen liggen nu te slapen,
dromend van geluk of in bange nachtmerries gevangen?
Hoeveel kinderen zijn vandaag al geboren?
Hoeveel mensen zullen vandaag nog sterven?

     * * *

Alsof dit alles niet gebeurt,
gaan zoveel mensen op dit moment
hun eigen gang,
stillen zij hun eigen honger
en niet die van een ander,
doen zij wat zij zelf willen,
niet wat een ander vraagt.

Alsof de aarde
morgen ophoudt te bestaan
haasten mensen zich vandaag
de longen uit het lijf
bang om een minuut te verliezen.
Dat is toch niet te geloven?

     * * *

Ik leef – niet alleen.
Ik besta – niet alleen,
al kan ik dat soms maar moeilijk geloven
en weet ik niet goed
wie of wat ik ben.

Maar hoe klein
en onbeduidend ik me ook voel,
ik kan het niet laten
om dat ene woord te zeggen, te noemen,

dat ene, voorzichtige woord
dat zoveel mensen vóór mij
in de mond hebben genomen
en zoveel mensen na mij nog zullen doen:

‘God’
– niet wetend wat ik daarmee zeg –
ergens vermoed ik
dat het zin heeft om te leven

dat mijn vertrouwen
niet wordt beschaamd,
dat mijn hopen
niet tevergeefs is,
dat de woorden die ik schreeuw of stamel
goed terecht zullen komen.

Dat wil ik maar al te graag geloven…