ER KOMT EEN TIJD
Hoeveel jaren ze door de woestijn rondzwierven, wisten ze niet meer. Ze waren de tel kwijt geraakt. In de woestijn waren mensen gestorven en begraven, in de woestijn waren mensen getrouwd en kinderen geboren. Meer dan eens hadden ze honger en dorst gehad. Elke keer als ze dachten: ‘Nu is het echt afgelopen met ons,’ dan kwam er onverwacht toch een oplossing. Steeds meer gingen ze geloven, dat God het was die daarvoor zorgde.
Mozes had het daar voortdurend over. Mozes was hun leider, een bijzondere leider: het leek wel of hij met God kon praten, zoals twee mensen met elkaar doen. Dan trok hij zich terug op een stille plek, en kwam na een tijdje terug: ‘God heeft mij gezegd…’ Als het even kon, trok hij zich terug op een hoge berg. Alsof hij daar dichter bij God was.
Ook nu was Mozes weer een hoge berg opgegaan. Er waren grote problemen. Alles wat maar verkeerd kon gaan, ging verkeerd. De mensen in de woestijn hadden voortdurend ruzie met elkaar. Mannen vochten met hun vrouwen en vrouwen met hun mannen. Kinderen trokken zich niets aan van hun ouders en ouders niets van hun kinderen. Iedereen was ontevreden, en ze gaven elkaar of zelfs God de schuld ervan.
Op een dag zeiden ze tegen Mozes: ‘Zo kan het niet langer. We zijn vrij, want we zijn geen slaven meer van de farao. Maar we kunnen niet met die vrijheid omgaan, we verpesten het voor elkaar. Vraag aan God wat we moeten doen. Als die God van jou tenminste bestaat en naar ons luistert…’
Mozes was zwijgend een hoge berg opgegaan. Zou God weer naar hem willen luisteren? Zou God weer met hem spreken? Dagen was hij nu al weg. De mensen werden ongerust: er zou hem toch niets overkomen zijn? Sommigen wilden gaan kijken waar hij toch bleef. Maar anderen zeiden: ‘Dat moet je nooit doen. Want stel nu, dat hij inderdaad met God spreekt. En stel dat je God zou zien: dat overleeft geen mens.’
Toen kwam Mozes van de berg af. Niemand is ooit te weten gekomen wat zich op die berg heeft afgespeeld, maar zijn gezicht straalde als de zon. Zijn ogen keken over de mensen heen toen hij begon te spreken. ‘God heeft mij niet gezegd wat we moeten doen. God heeft mij verteld wat we kúnnen doen. Hij heeft het zelf op deze stenen platen geschreven. Luister maar. Dit zegt God ons.
Er komt een tijd
dat ik voor alle mensen
dezelfde God ben.
Dan maken ze
om en over mij
geen ruzie meer.
Er komt een tijd
dat mensen mij zien,
al blijf ik onzichtbaar
voor hun ogen.
Dan hebben ze geen
zichtbare goden meer nodig,
voor wie ze buigen
en alles willen doen.
Er komt een tijd
dat mensen mijn naam
voorzichtig uitspreken.
Dan geven ze mij
niet meer de schuld
als ze pijn hebben,
ziek worden of doodgaan.
Er komt een tijd
dat mensen rust nemen
voor zichzelf
voor elkaar
en voor mij.
Zes dagen werken ze,
maken en bedenken ze
nieuwe dingen.
Maar de zevende dag niet –
dan genieten zij
van wat Ik voor hen
heb gemaakt en bedacht.
Er komt een tijd
dat mensen beseffen
één grote familie te zijn.
Dan zullen ze
hun ouders dankbaar zijn
en hun kinderen leren
wat ze zelf hebben geleerd.
Er komt een tijd
dat mensen
van anderen houden
als van zichzelf.
Geen mens zal nog
een ander doden
of zelfs maar
pijn willen doen.
Er komt een tijd
dat mensen elkaar
blindelings vertrouwen.
Wat ze zeggen
doen ze ook,
en wat ze doen
hoeft niet verborgen
te blijven.
Er komt een tijd
dat mensen blij zijn
als anderen blij zijn.
Dan zullen zij
van elkaar
niet meer stelen.
Er komt een tijd
dat mensen eerlijk zijn,
zo eerlijk als het licht.
Dan zullen ze
over elkaar
geen leugens
of roddels meer verspreiden.
Er komt een tijd
dat mensen gelukkig zijn
met het geluk
van anderen.
Dan zullen ze
niet meer jaloers zijn
of willen hebben
wat een ander heeft.
Alles wordt gedeeld.’
Ademloos en stil hadden de mensen geluisterd. Ze waren onder de indruk. Jaren later werden deze woorden de Tien Geboden genoemd, waarmee de mensen wilden zeggen: ‘Zo zou het eigenlijk moeten zijn. En zo zal het ooit zijn.’