KONING SALOMO
Koning Salomo was koning van heel Israël. Hij kreeg een bijzondere droom. Hij droomde over God.
God vroeg hem in zijn droom: ‘Wat wil je dat ik aan je geef?’ En in zijn droom antwoordde Salomo: ‘Ik ben nog jong, ik weet nog niet goed wat ik moet doen. Ik weet zelfs nog niet wat ik allemaal moet weten. Wijsheid is wat ik U zou willen vragen. Dan kan ik de mensen het verschil leren tussen goed en kwaad. Want dan weet ik zélf het verschil tussen goed en kwaad. Niets is zo moeilijk als dat.’
God antwoordde Salomo, nog steeds in zijn droom: ‘Ik ben blij dat je niet om rijkdom of om een lang leven hebt gevraagd. Daarom zal ik je geven waar je mij om vroeg: wijs zul je worden.’
Toen werd Salomo wakker. Wat een droom!
* * *
Op een keer waren er twee vrouwen die ruzie met elkaar hadden over een baby.
‘Het is mijn baby,’ zei de een.
‘Daar is niets van waar, het is mijn baby,’ zei de ander.
‘Nietes!’
‘Welles!’
‘Je liegt!’
‘Nee, jij liegt!’
‘Het is mijn baby.’
‘Het is jouw baby niet, het is mijn baby.’
Zo bleef het maar doorgaan, al dagenlang. Wie had er nu gelijk? Wie was de echte moeder en wie deed alsof? De mensen werden er niet goed van. Ze besloten om het voor te leggen aan koning Salomo. Die stond inmiddels al bekend als een wijze koning.
‘Hij is van mij.’
‘Nee, hij is van mij.’
‘Geef hier.’
‘Blijf af.’
Zo werden ze bij Salomo binnengebracht. Die had de grootste moeite om ze tot bedaren te brengen: ‘Ik wil graag weten wat er aan de hand is. Jullie krijgen beide de kans om je verhaal te doen. Maar dan moet je elkaar wel uit laten praten.’
Eén van de vrouwen begon. ‘Een paar weken geleden heb ik een baby gekregen – déze baby.’ En ze wees daarbij naar het kind dat rustig lag te slapen en zich niets aantrok van de ruzie die de vrouwen met elkaar maakten. ‘Dat is jouw baby helemaal niet,’ onderbrak de andere vrouw haar, ‘Hij is van mij.’
Salomo kwam tussenbeide: ‘Dat proberen we nu uit te zoeken. Laat haar uitpraten, jij bent direct aan de beurt.’
De ene vrouw ging weer verder. ‘Een paar dagen later kreeg zij’ – en ze wees daarbij naar de andere vrouw – ‘ook een baby. Maar haar baby is enkele nachten daarna gestikt, omdat ze in haar slaap per ongeluk op haar kind is gaan liggen. Toen moet ze de kinderen hebben omgewisseld, terwijl ik sliep. Want ik werd ’s morgens wakker en ontdekte dat ik een dode baby bij me in bed had liggen. Ik keek iets beter, en zag meteen dat het niet mijn eigen baby was.’
De andere vrouw moest moeite doen om haar uit te laten praten. Maar Salomo bleef haar al die tijd streng aankijken. Toen was zij aan de beurt: ‘Daar is helemaal niets van waar. Op een morgen kwam zij’ – en ze wees naar de ene vrouw – ‘bij mij binnenlopen met een dode baby in haar armen. Ze gilde en huilde, en ze schreeuwde dat ze haar eigen kind terug wilde hebben. Maar het was haar eigen baby die ze droeg.’
‘Helemaal niet. Ik weet toch zeker zelf wel of het mijn kind is of niet.’
‘Echt niet. Je was gewoon jaloers op mij.’
En zo gingen de vrouwen weer verder met hun ruzie.
‘De dode baby is van jou.’
‘Nee, de lévende baby is van mij.’
Koning Salomo zat stil voor zich uit te staren. Toen zei hij tegen één van zijn soldaten: ‘Geef me je zwaard.’ Met het zwaard in zijn hand liep hij op het kind af. De vrouwen stopten met ruzie maken, en keken bang naar wat koning Salomo van plan was.
Die zei: ‘Ik hak het kind gewoon in tweeën, dan krijgt iedereen de helft.’
De ene vrouw zei meteen: ‘Nee, koning, nee! Doe dat niet. Geef het kind dan maar aan haar.’
Maar de andere vrouw zei: ‘Laat koning Salomo zijn gang gaan. Als ik het kind niet krijg, dan krijg jij het ook niet.’
Salomo gooide zijn zwaard weg. Hij wist nu wie de echte moeder was.