JONA

Al een paar keer was Jona van plan geweest om naar Ninevé te gaan, de grote stad. Niet om er gezellig te winkelen of op een terrasje te zitten. Nee, om de mensen daar eens flink de waarheid te vertellen. Maar elke keer zag hij er weer van af: hij durfde niet zo goed.
Alles wat God verboden had, was voor de mensen daar de normaalste zaak van de wereld. Ooit was het een mooie stad, maar nu niet meer. En als ze zo doorgingen, dan zou het met Ninevé vast en zeker niet goed aflopen.
Jona snapte niet, dat niemand anders er iets van zei. Hij voelde zich geroepen om er wél iets van te zeggen. Maar zouden ze wel naar hem willen luisteren? Misschien zouden ze hem wel uitlachen, of erger nog.

Op een dag was de maat vol. Jona dacht: ‘Nu of nooit.’ Hij stond op en ging op weg, maar niet naar Ninevé! Hij was toch weer bang geworden voor de inwoners. Omdat hij het ook niet langer meer kon aanzien, wilde hij weg, weg uit deze buurt. Hij wilde helemaal niets van Ninevé meer weten. Bij de haven lag een schip, dat op het punt stond om naar Tarsis te varen. En Tarsis lag de andere kant op. Dat kwam goed uit voor Jona. Zo hoefde hij niets meer met Ninevé te maken hebben. Hij vroeg of hij mee mocht. Dat was geen probleem.

Eenmaal op volle zee, begon het enorm te waaien en te stormen. De golven werden hoger en rolden over het dek. Als dat maar goed ging!
Nu moet je weten, dat de mensen in die tijd nogal lichtgelovig waren. Ze bedachten van alles om de zee tot bedaren te brengen, maar het hielp allemaal niet. Het ging alleen nog maar harder stormen. Ten einde raad besloten ze de lading overboord te gooien. Dan was het schip niet zo zwaar, en zouden ze niet zo snel zinken.
Ook dat hielp niet. Ze wisten niet meer wat te doen en gingen bang in het ruim zitten. Daar zagen ze Jona liggen. Die was al bij het vertrek in slaap gevallen. Hoe was dat mogelijk! Waarom trok Jona zich niets aan van de storm en van het schip? Ze maakten hem wakker en vertelden hem wat er aan de hand was.
Maar Jona schrok er niet van. ‘Ik weet al wat er aan de hand is,’ zei hij. ‘Mijn God is vast en zeker boos op mij geworden. Ik had naar Ninevé moeten gaan om de mensen daar te waarschuwen. Maar ik ben laf geweest en ik ben gevlucht. Ik heb te weinig vertrouwen gehad in mijn God.’
‘Wat moeten wij dan doen? Als het zo doorgaat, dan vergaan we nog,’
zeiden de anderen.
‘Ik weet het niet,’ zei Jona, ‘Maar misschien moet je mij maar overboord gooien. God is niet boos op jullie, God is boos op mij.’
‘Overboord gooien? Met deze storm? Dat overleeft niemand!’
riepen ze uit.
‘Als het echt zo hard stormt omdat God boos op mij is geworden, dan moet het maar. Óf het is mijn eigen schuld en dan moet ik zelf de gevolgen ervan ondervinden, óf God zal me nog een nieuwe kans geven.’
Aarzelend en met tegenzin deden ze wat Jona had gevraagd. Ze gooiden hem in de zee, en zagen hem in de golven verdwijnen. Hij kwam niet meer boven. Die arme Jona was natuurlijk verdronken. De storm ging wel meteen liggen. Hoe was dat mogelijk!

Maar Jona was helemaal niet verdronken. Toen hij onder water verdween, zag hij een enorme vis op hem afkomen. Hij probeerde weg te zwemmen, maar de vis was sneller. In één hap verdween hij in de buik van die vis.
Daar zat Jona nu. Hij wist niet wat hij ervan moest denken. Was hij nu gered uit de wilde golven van de zee? Of was het nu helemaal afgelopen met hem? Jona dacht na, en hij dacht nog eens na. En toen zei hij hardop wat hij dacht:

‘Ik kan het niet geloven.
Eerst ben ik in de zee gegooid
en nu zit ik in de buik van een vis.
Hoe kom ik hier ooit weer uit?

Ik heb geleerd
dat ik niet zo bang moet zijn.
Ik heb geleerd
dat ik meer mag vertrouwen op mijn God.
Maar daar heb ik nu niet veel meer aan.

God, als U mij kunt horen
als U mij hier kunt zien:
help me.
Asjeblieft.
Ik wil het nog één keer proberen.
Geeft U me nog een nieuwe kans?’

God moet Jona vast en zeker gehoord hebben. Want de vis was inmiddels in de richting van het land gezwommen. En daar spuugde hij Jona uit. Met een klap kwam hij kleddernat op het zand terecht.

Jona dacht nu niet lang na: hij had echt een nieuwe kans gekregen. Hij ging meteen naar Ninevé, de grote stad. En tegen iedereen die hij tegenkwam, zei hij: ‘Alles wat God verboden heeft, vinden jullie heel normaal. Ninevé was ooit een mooie stad. Maar moet je eens kijken wat er nu van jullie stad geworden is!’
De inwoners schrokken toen ze dit hoorden. Ze werden eerst boos, wilden Jona te lijf gaan, maar toen zagen ze dat hij gelijk had. En binnen enkele dagen werd Ninevé weer de mooie stad die zij vroeger was.