Adam & Eva

Lang, heel lang geleden, toen er nog geen t.v.’s waren en geen computers, en ook geen auto’s en wegen, waren er al wel bomen en bloemen, en vogels en dieren. En natuurlijk mensen. De eerste mensen waren Adam en Eva. Of dat hun echte naam was, weten we niet, maar zo worden ze wel genoemd.

Adam en Eva hadden het prima naar hun zin. Ze hoefden niet hard te werken en konden doen waar ze zin in hadden. Uitslapen of vroeg opstaan, het maakte allemaal niets uit. Ze leefden echt in een paradijs en God had daarvoor gezorgd.

Maar op een dag ging dat vervelen, het werd saai. Ze kregen zin om een keer iets anders te gaan doen, iets spannends, een avontuur! Nu stond er midden in de tuin een grote appelboom. Het was een bijzondere boom en God had tegen Adam en Eva gezegd: ‘De hele tuin is voor jullie, maar die ene boom niet. En de appels die eraan groeien, daar moeten jullie van afblijven.’

In het begin hadden ze gedaan wat God gevraagd had. Ze hadden de boom met rust gelaten en ze waren netjes van de appels afgebleven. Ze hadden zich ook nooit afgevraagd waarom dat moest. Maar juist vandaag, toen ze zich verveelden, zei Eva: ‘Wat zou er toch met die appelboom aan de hand zijn?’
‘Nu je het zegt,’
zei Adam, ‘Daar heb ik nog nooit over nagedacht. Misschien worden we wel ziek als we aan die appels komen.’
‘Ziek?’
vroeg Eva, ‘Zou dat het zijn? Of zou God gewoon het beste en het lekkerste voor zichzelf willen houden?’

Ze werden zo nieuwsgierig, dat ze zachtjes en op hun tenen naar de appelboom liepen. Het was wel spannend. Ze keken voorzichtig om zich heen of niemand hen zag.
‘De appels zien er wel lekker uit,’ zei Eva.
‘Maar stel nu eens dat we er toch ziek van worden, of erger nog: dat we ervan doodgaan,’ zei Adam.
‘Ach joh, maak je toch niet zo bang,’ zei Eva, ‘Weet je wat, we proberen het gewoon. Dan merken we het wel.’
Ze plukten samen één appel en aten die op. De appel smaakte goed, al zat er wel een apart smaakje aan. En of het door die appel kwam wisten ze niet, maar plotseling kregen ze kriebels in hun maag. Ze werden bang, bang dat iemand hen zo zou zien. Want nu kregen ze pas in de gaten dat ze helemaal geen kleren aan hadden. Snel verstopten ze zich achter de struiken. Net op tijd, want daar kwam God al aan.

‘Adam en Eva, waar zijn jullie?’ Het bleef stil, ze zeiden niets en verroerden zich niet. Nog een keer riep God: ‘Adam en Eva, waar zijn jullie?’
‘We spelen verstoppertje,’
riep Adam, ‘Kom ons maar zoeken.’
God had het meteen door en Hij werd verdrietig: ‘Verstoppertje spelen, dat is niets voor jullie. Daar ken ik jullie te goed voor. Ik weet al wat er aan de hand is. Jullie hebben van mijn appelboom gegeten. Kom maar tevoorschijn, ik weet toch wel waar je bent.’
Voorzichtig kropen Adam en Eva achter de struiken vandaan, Adam voorop en Eva erachteraan.
‘Het was haar schuld,’ zei Adam.
‘Nietwaar, het was zijn schuld,’ zei Eva.
‘Hou op,’ zei God, ‘Durf je wel? Elkaar de schuld geven? Je hebt het allebei gedaan en dat weet je heel goed.’

‘Sorry, God,’ begon Adam na een tijdje voorzichtig, ‘Maar we verveelden ons zo en toen dachten we…’
‘Ach, laat maar,’
zei God, ‘Misschien is het ook wel mijn schuld. Ik had beter moeten weten. Ik had moeten weten, dat jullie niet voor altijd in het paradijs kunnen blijven.’
‘Maar waar moeten we dan heen?’
vroeg Eva bang.
God nam hen mee naar het einde van het paradijs, daar waar de wereld begint zoals wij die kennen: ‘Alles wat hier groeit, groeit daar ook en nog veel meer. Daar zijn dieren die je willen aanvallen, daar zijn planten die prikken en giftig zijn. De golven van de zeeën zijn hoger en wilder, de zon kan er heel heet zijn en de wind kan soms flink tekeer gaan. Je zult nu voor jezelf moeten zorgen, dat kan ik niet meer voor jullie doen.’

En daar gingen Adam en Eva. God keek hen nog lang na, tot Hij hen niet meer kon zien, en Hij dacht bij zichzelf: ‘Zal ik met hen meegaan of hier blijven?’