In mijn dromen kan ik vliegen
over alle wereldsteden.
Kleine handjes, grote voeten:
ik zie alles daar beneden.
Als ik zin heb, kom ik zwevend
van de wolken afgegleden.
Waar mijn voeten aarde raken,
groeien zeven bomen vrede.
In de bossen, in woestijnen
ook op brede asfaltwegen
zie ik boom na boom verschijnen.
Niemand houdt de vrede tegen.
Mensen rusten in hun schaduw,
kind’ren klimmen in hun takken.
Vogels zingen, kan het mooier?
Maak mij alsjeblieft niet wakker.
* * *
Maar de bomen blijven groeien.
‘k Zie ze hoger, hoger komen
en hun takken, lange armen,
prikken door mijn mooie dromen.
Wakker val ik naar beneden
met geklapte droomballonnen,
maar ik weet dat deze vrede
in mijn dromen is begonnen.