Als ik ‘Pasen’ hoor,
dan moet ik denken
aan een enorme berg.
Ik sta aan de voet en kijk omhoog.
Wat voel ik me klein.
Als ik ‘Pasen’ hoor,
dan moet ik denken
aan een enorme sneeuwvlakte.
Je hebt geen idee waar je bent
of waarheen je moet gaan.
Aan een vriendelijke vallei
van gras en geurende bloemen
en kabbelende beekjes.
Als ik ‘Pasen’ hoor,
dan moet ik denken
aan een menigte mensen
die zingend door de straten
van de hoofdstad lopen.
Ze willen de strijd
voor hun vrijheid niet opgeven.
Als ik ‘Pasen’ hoor,
dan moet ik denken
aan een vrouw naast het bed
waarop haar man ligt, zojuist gestorven.
Ze moet alleen verder
maar wil zijn hand nog niet loslaten.
Aan kinderen die voor elkaar
de paaseieren verstoppen
die ze eerst zelf hebben gevonden.
Als ik ‘Pasen’ hoor,
dan moet ik denken
aan alles wat
ons overweldigt
maar sterker maakt.